Er gebeurde iets grappigs gisteren:
Ik zat lekker mijn krantje, Trouw te lezen an het ontbijt , en zag bij de Column van de heer Boevink een foto van een hele “enge” bijna bevroren man. Hè, dacht ik die man zag ik gisteravond ook, toen ik de New Yorker zat te lezen. Heer Boevink en ik lazen dus ongeveer tegelijkertijd dat super spannende verhaal. Waarover?
Over Henry Worsley die al van jongs af wist dat hij, net als zijn idool Ernest Shackleton (tjeetje wat moeilijk te spellen) een voettocht wilde maken over Antarctica van het ene continent naar het andere.
Hij heeft zijn hele leven daaraan gewerkt en is twee keer op expeditie geweest. Een keer met z’n drieën en een keer alleen. meer dan 1000 mijl, temperaturen – 40 Fahrenheit, ik probeer dit te convergeren naar Celsius en… het is ook 40 graden Celsius. Ik snap daar niks van. Hele hoge bergen, en hoge ijsformaties. Dat had ik nou nooit bedacht. Ik dacht dat het allemaal vlak en winderig was. Sneeuwstormen, dagen konden ze niet uit hun tent. IK kan het niet beschrijven. Lees de New Yorker (12 febr.) of kijk op Internet naar deze man. Het verhaal is zo spannend, adembenemend gruwelijk ook.
Ik vind het echt zo grappig dat Boevink juist op het moment dat ik het las met die Column komt. . Zelden kom ik iemand tegen die ook de New Yorker leest.
Moraal van dit verhaal: Wat moet je bezeten zijn om zo iets te doen. Hij had een hele sterke echtgenote die hem altijd steunde en niet riep “oh lieverd, nu niet meer” (eigenlijk is dit geen moraal, maar zomaar een observatie)
Hij overleed kort na zijn solo expeditie.