Voetbal, daar ga ik vandaag over schrijven. Ik houd helemaal niet van voetbal, maar ik las in de New Yorker een verhaal over het “ontstaan” van voetbal. En toen realiseerde ik mij dat er natuurlijk ergens een begin moet zijn van zo’n spel. Ik zal het vertellen:
Vroeger was voetballen een strijd tussen stammen. Het ging er vaak heftig aan toe. Vanaf 1600 werd het spel door de Engelse Koningen verboden. Dat had weinig effect. Rond 1660 noteerde Samuel Pepys dat de stad Londen op een ijskoude morgen vol met voetballen was.
De verandering ontstond in de negentiende eeuw in de Elite Engelse scholen. De Headmaster van een van die scholen vond dat de energie van Christelijke jongemannen in het gareel gebracht kon worden door te sporten, dan zouden ze minder opstandig worden. Er ontstonden enorm veel variaties. Poging om het spel te introduceren op de Universiteit in Cambridge mislukte, omdat, zoals een student het verwoordde: “elke man speelt volgens de regels waaraan hij gewend is in zijn Public School”.
Maar goed, een compromis werd gevonden: in 1863 kwamen elf Engelse clubs, afkomstig van die Elite scholen, bij elkaar en de Football Association werd opgericht. Zij maakten een “Law of Games”: de maximale lengte van het veld 200 yards, maar één bal in het spel en je mag niet met de bal gooien. Iets later werd ook het aantal spelers bepaald, 11 aan iedere kant, en werd beslist dat er een scheidsrechter moest zijn, en dat er een goal kwam met een net en ook werd toen al de stip voor de gevreesde penalty geplaatst.
Waarom ik dit zo uitgebreid vertel is omdat ik het zo grappig vind dat die regels kennelijk zo goed waren dat ze nog steeds gelden.
Dit is waarschijnlijk de enige keer dat ik over voetbal schrijf. Einde!